31 maart - Gelieve uw veiligheidsgordel vast te maken
Even voor de tussenlanding in Ouagadougou, de hoofdstad van Burkina Faso. Op de schermpjes staat de route van het vliegtuig, pal ten westen van de Malinese stad Gao.
Ik kijk naar buiten, filosoferend over de gevechten die zich daar de voorbije dag hebben afgespeeld, en zie opeens roestbruine flitsen aan de einder. Geen bliksem van een tropisch onweer, zoveel is duidelijk. De ene na de andere vuurbol tekent zich af tegen de zwarte hemel: links, rechts, wat meer naar het midden van de horizon, alleen het geluid van het mortiergeschut ontbreekt, dat is nog het meest surrealistische van al.
Ik vraag me af hoeveel mensen er op tijd zijn kunnen vluchten voor de explosies. Als ze al vanop een kilometer of vijftig te zien zijn, hoe huiveringwekkend moet het dan niet zijn als je je er middenin bevindt. Mijn jonge buurman, een Burkinabees, kijkt ook even naar het schouwspel en schudt het hoofd.
Ja, waarom blijft dit continent toch geplaagd door oorlogen en burgeroorlogen? Somalië, Congo, Soedan, en nu ook Mali … “C’est parce que nous sommes pauvres”.
Morgen zal ik ze zien aan de andere kant van de grens, de gevluchte inwoners van Gao. Ik kan ze me al helemaal voorstellen, vrouwen in kleurrijke wikkeldoeken, mannen van wie een aantal met tulband , vuile kinderen en matjes en misschien nog een paar potten en pannen en geitjes…
Ik zie hen al suf zitten staren in de schaduw, wachtend op “les humanitaires”. Ik zie de blauwe tentjes al staan in de hitte, de 4x4’s, vrachtwagens met water, voedsel en dekens, en hier en daar misschien al een waterput of een latrine.
Wat een déjà-vu. En dan klinkt de stem van de stewardess: “dames en heren, we hebben onze daling naar Ouagadougou ingezet, gelieve uw veiligheidsgordel vast te maken, uw tafeltjes dicht te klappen en de rugleuning van uw stoel rechtop te zetten…”
1 april - Tussen de geiten en de vluchtelingen
De dag begint te vroeg na drie uur slaap en een krijsende pauw op een binnenpleintje. We verlaten Niamey, aan de Nigerstroom, en rijden noordwaarts, eerst een klein stukje weg, daarna piste langsheen bijbelachtige dorpjes.
De beige-oranje tinten worden opgefrist door vrouwen in felgele of felblauwe gewaden. Tussen het struikgewas zien we hier en daar een paar ezels, geiten en spelende kinderen, maar ook vuilnis, veel vuilnis: de honderden zwarte plastic zakken hangen als maretak in de bomen en struiken.
Ze zijn niet alleen een pest voor de natuur, maar ze zijn ook schadelijk voor de dieren, die de zakken opeten en niet door hun maag krijgen. Hoeveel karkassen hebben we vorig jaar niet gevonden in het oosten van Kenia, waarvan de plastic zakken tussen de ribben lagen te flapperen?
In Zarouma Daré staat al een ontvangstcomité klaar. De dorpsoudste zit tussen mannen op matjes, wat verderop staat de vrouwen te giechelen. Toch zijn zij de ster van de dag. Djoma bijvoorbeeld, een alleenstaande moeder van 9, met een kakigroene sluier met wit borduursel, lacht haar tanden bloot.
Ze snelt op de kudde geiten af en haalt er zonder zoeken de drie exemplaren uit die ze net heeft gekregen van Dierenartsen Zonder Grenzen. Een bok en twee ooien moeten haar veestapel aanvullen, zodat die meer kan produceren en haar gezin financieel bestand is tegen de nakende droogte.
Ik vraag me telkens weer af waarom dit soort structurele maatregelen niet eerder zijn genomen, maar ook of ze wel volstaan in dit kurkdroge gebied. Wat als de woestijn verder oprukt? Wat als de gevechten overwaaien? Het confronteert me meer dan ooit met de gedachte dat staatsgrenzen hier niet van tel zijn.
Azawad, het "geschenk" waarvoor de Touareg-rebellen van het MNLA strijden, strekt zich uit over de grenzen van Mali en Niger en Mauretanië. Nomaden met geiten en kamelen zien geen grenzen op hun zoektocht naar graasland.
Op de terugweg, in de stad Mangaizé staat een keurig geordende verzameling felblauwe tentjes te schitteren in het felle zonlicht. Het is geen fata morgana, maar een van de 5 kampen voor Malinese vluchtelingen. In de schaduw van een boom zitten enkele Touaregs die hier al twee weken verblijven.
Mohammed, een statige man met zwarte tulband en gegroefd voorhoofd, komt uit Menaka, een stad die na Kidal in handen viel van de rebellen. Hoe zouden deze mensen zich voelen, denk ik dan. Zo’n trots volk, nomadisch van oorsprong, en nu overgeleverd aan westerse hulpverleners die enkele meter verderop een waterput aan het boren zijn.
De kinderen aan de waterkraantjes trekken het zich allemaal niet aan. Ze joelen tot onze jeep verdwijnt in een reusachtige stofwolk. Mohammed trekt zijn doek nog wat hoger over zijn mond en kijkt ons peinzend na.
2 en 3 april - Ondervoeding en ondervoeding is twee
Wist u dat de Nigerezen bijzonder grappig zijn? Toch zeker de Haoussa, die ik leer kennen in de buurt van de stad Maradi, even ten oosten van Niamey en tegen de grens met Nigeria. Maradi is een stad vol vrachtwagens met goederen uit Nigeria, met een benzinestation met Libische olie en rammelende peugeot 504’s en andere exemplaren vol roest en nostalgie.
Aan een wegversperring kijkt een agent naar binnen in de auto van Artsen zonder grenzen. “Wist u dat uw chauffeur een gezochte misdadiger is?” Zou dit in Congo gebeuren, dan was ik mijn geld al beginnen te pakken. Maar onze chauffeur schiet in de lach, de politieagent begint te gieren en dus doe ik er maar een schepje bovenop. “Pas maar op, want ik heb een zwaar misdaadverleden”, grap ik terug, tot groot jolijt van de agent en chauffeur Baro: “Dit is de sterkte van ons volk”, zegt hij, “dat we kunnen lachen”.
We pikken nog 5 vrouwen met hun zieke kind op en rijden naar Guidan Roumji, “chez les bouchers”, wil dat zeggen. Maar veel vlees is er deze dagen niet te eten. De voedselprijzen zijn te hoog. Een bord gierstepap is meestal al wat de gezinnen zich per dag kunnen veroorloven. Dat zie je in het hospitaal. De echte piek van ondervoeding moet nog komen, maar de cijfers liggen al wat hoger dan de vorige weken.
Evelyne van Artsen Zonder Grenzen België en haar staf weten waar de problemen zich situeren. Ja, ondervoeding op zich is een belangrijk fenomeen, zeker nu de oogst is mislukt en de prijzen zijn gestegen. Maar in Niger heerst eigenlijk permanente crisis, tenzij je 300.000 ondervoede kinderen in een ‘gewoon’ jaar normaal vindt.
Toch zijn ondervoeding en ondervoeding twee. De mentaliteit van de moeders speelt namelijk ook een rol . Zij zien vaak niet in dat ondervoeding een ziekte is en wachten tot hun kind ook nog koorts, luchtwegeninfecties of diarree krijgen voor ze toch maar naar een gezondheidspost stappen.
Of nog: moeders die om welke reden dan ook hun kind bij hun ouders achterlaten en pas na lange tijd merken dat er niet naar omgekeken is. De hulporganisaties zeggen dat 1 miljoen kinderen in de Sahel het risico lopen op ernstige ondervoeding, een schatting op basis van extrapolatie wellicht.
Ik ga liever kijken op het terrein om de complexiteit van de situatie te begrijpen. Ook de vrouwen hier in Guidan Roumji leren bij. Hadiza bijvoorbeeld, komt zoals afgesproken met haar ondervoede peuter om de week terug voor een voedingsprogramma. Hassan heeft nu zelfs al bolle wangen, en dat is geen grap.
4 april - Oost west thuis best
Wat even buiten het dorp Sakiema gebeurt is ontroerend. Niet alleen omdat een stuk halfwoestijn in een vruchtbaar veld wordt omgetoverd. Honderden mensen die met de hak in het stof keuteren om onkruid weg te halen en nieuwe planten te zaaien. Dat op zich is al een wonder. Nee, er is iets meer aan de hand.
Ik zie het aan de gezichten van het ontvangstcomité. Breed lachende gezichten, WANT de mannen zijn terug, uit Libië. Was dat dan geen slecht nieuws? Zij hadden zich toch jarenlang als arbeiders afgebeuld, hun geld naar hun dorp opgestuurd om hun gezin te onderhouden en hadden plots alles verloren toen ze bij de val van Khaddafi werden verjaagd?
Als dat het einde van het verhaal was, was het inderdaad slecht nieuws. Maar hier in Sakiema en andere dorpen in de streek, is een oplossing gevonden. ‘Cash for work’, een initiatief van het Wereldvoedselprogramma, Care en World vision, heeft hier die lacune ingevuld. De gemeenschap koos een project dat zinvol was, en duidde een aantal kwetsbare gezinnen aan om het werk uit te voeren in ruil voor geld, geld om voedsel te kopen.
De vrouwen en de mannen zijn tevreden, zo vertellen ze me. Niet zozeer om dat geld, maar vooral omdat nu hun gezin weer samen is . Toen de mannen nog in Libië waren, stonden de vrouwen voor alles in. Nu kunnen de taken en de zorg voor de kinderen beter worden verdeeld. Het kleine dorp in de Sahel is weer een gemeenschap geworden. Dat is het ontroerende.
Zoals altijd na een reis naar Afrika, zijn de Afrikanen op mijn netvlies blijven hangen en haal ik hen meteen uit de anonieme mierenhoop in Gare du Nord in Parijs. De jongen met een cool T-shirt en een iPod, de vrouw met pumps en zware oorbellen, de man in jellaba, de uitbater van een ijssalon.
“Ik zou ook liever naar huis willen gaan, naar Senegal”, zegt hij wanneer ik hem het verhaal over Sakiema vertel en vraag of hij zich hier goed voelt. “Ik heb geen geldzorgen en een goeie baan, maar het is me hier te stresserend, als ik met vakantie naar Dakar ga, vind ik rust en voel ik me goed bij mijn vrienden en familie.” Groot gelijk, denk ik, en loop snel naar de trein huiswaarts.
Katrien Vanderschoot