De onafhankelijkheid van Rwanda was terdege voorbereid door België, dat in 1960 verkiezingen had georganiseerd. Die werden gewonnen door de Hutu-partij van Grégoire Kayibanda (foto), die prompt de zogenoemde Hutu-revolutie uitriep en de traditionele mwami Kigeri V liet verdrijven. Daarop lag de weg naar de macht open voor Kayibanda, mét goedkeuring van Brussel.
Tijdens de Hutu-revolutie pakte de Hutu-meerderheid (85 procent van de bevolking) de Tutsi-elite (zo'n 14 procent) hard aan. Naar schatting 100.000 Rwandese Tutsi's vluchtten naar buurlanden Congo, Burundi en Oeganda, van waar ze op wraak zonnen voor het hen aangedane leed.
Desondanks bleven de etnische spanningen in het land latent aanwezig. De systematische uitsluiting van Tutsi's op hoge functies en economische problemen leidden uiteindelijk tot een militaire staatsgreep in 1973, waarna Kayibanda ter dood werd veroordeeld en vervolgens gratie werd verleend.
De nieuwe sterke man heette voortaan Juvénal Habyarimana. Hij nam een Tutsi op in zijn regering, maar in werkelijkheid was zijn eenheidspartij Mouvement Démocratique Révolutionnaire National pour le Developpement (MNRD) een Hutu-partij. In de jaren 70 en 80 liet Habyarimana zich geregeld opnieuw kiezen als staatshoofd.
De nieuwe president werd gesteund door de katholieke kerk en bracht het land stabiliteit. Onder zijn bewind groeide Rwanda uit tot troetelkind van de internationale gemeenschap, dat veel ontwikkelingshulp veil had voor het bevriende Rwandese volk.
Overbevolking, armoede en racisme
Maar de onrust en het ongenoegen gistten voort. Dat had in de eerste plaats te maken met armoede: ruim 60 procent van de bevolking leefde onder de armoedegrens. Maar er was ook de chronische overbevolking: Rwanda is een van de dichtst bevolkte landen van Afrika, en dat betekent problemen bij de voedselvoorziening in een land dat hoofdzakelijk leeft van de landbouw. Voeg daarbij nog de steeds aanwezige tegenstellingen tussen Hutu's en Tutsi's en je hebt een potentieel dodelijke cocktail.
Habyarimana weigerde te praten over de terugkeer van Tutsi's die in 1960 naar de buurlanden waren gevlucht, maar vooral in Oeganda hadden die Tutsi's zich militair georganiseerd met de steun van het regime van Yoweri Museveni.
In 1990 vielen de rebellen van het Rwandees Patriottisch Front het land binnen vanuit Oeganda. De RPF-leiders waren niet van de minsten: Fred Rwigema, voormalig raadgever van Museveni, en Paul Kagame (foto). Rwigema kwam om bij de strijd, maar van Kagame zouden we later nog horen.
Het regime van Habyarimana kon aanvankelijk standhouden met de steun van België en Frankrijk, maar de president zag zich toch genoodzaakt om te gaan praten met het RPF en tot een of ander compromis te komen. Dat werd hem niet in dank afgenomen door zijn radicale Hutu-achterban.
Een zee van bloed
In 1994 gaat het goed fout als het vliegtuig van Habyarimana wordt neergeschoten. Tot op vandaag blijft het onduidelijk wie hierachter zit, maar in elk geval is de dood van de president de katalysator voor een ware orgie van geweld: binnen de 24 uur beginnen de moordpartijen door Hutu's op Tutsi's en gematigde Hutu's. Ook de Twa's, de oorspronkelijke inwoners van Rwanda (amper 1 procent van de bevolking) moeten eraan geloven.
De beruchte Interahamwe-milities doen hun werk grondig, met de hulp van veel burgers, die daartoe aangemoedigd worden door haatzender Radio Mille Collines. Bij de volkenmoord of genocide vallen naar schatting 800.000 doden, mogelijk zelfs meer dan een miljoen. Velen worden genadeloos afgemaakt met hakmessen. Ook tien Belgische blauwhelmen worden gedood.
Kagame en zijn RPF schakelen een versnelling hoger en veroveren het land in een sneltempo. Op 4 juli 1994 wordt de hoofdstad Kigali "bevrijd". De "scheve situatie" van 1960 is rechtgezet: Rwanda is weer een land in handen van de Tutsi's.
De machtsovername in Kigali ontketent meteen een nieuwe humanitaire crisis. Honderdduizenden doodsbange Rwandezen, vooral Hutu's, vluchten naar buurland Zaïre. Velen komen om door ziekte en ontbering in inderhaast opgerichte vluchtelingenkampen.
Veel overlevenden keren uiteindelijk terug naar Rwanda, maar radicale Hutu-rebellen blijven zich schuilhouden in het regenwoud van waaruit ze aanvallen uitvoeren tegen hun land, dat nu in handen is van de Tutsi's.
Dé man van Kigali
In het nieuwe Rwanda heet de sterke man Paul Kagame. Hij vormt zijn RPF om tot een politieke partij. In eerste instantie houdt hij zich nog op de achtergrond als minister van Defensie en krijgen gematigde Hutu's als Pasteur Bizimungu en Faustin Twagiramungu het roer in handen, maar in 2000 schuift hij hen aan de kant en wordt hij zelf staatshoofd.
Racisme bestaat niet in het nieuwe Rwanda, althans niet officieel. Kagame oogst lof omdat hij het land er relatief snel weer bovenop helpt na de catastrofale genocide van 1994. De hoofdstad Kigali heeft een metamorfose ondergaan, met fonkelende kantoorgebouwen en alles erop en eraan. Het bruno binnenlands product groeit met zo'n 8 procent tussen 2002 en 2009 en in plaats van 78 procent armen in 1995 zijn dat er nu nog maar 57 procent. Rwanda moet het Singapore van Afrika worden, klinkt het dan.
Maar het zegebulletin van de nieuwe machthebbers heeft ook een donker kantje. Echte politieke oppositie wordt niet toegelaten, de persvrijheid is sterk ingeperkt en er bestaan grote vragen over de herkomst van al die nieuwe rijkdom.
Want Rwanda is ook betrokken bij de voortdurende burgeroorlog in het oosten van Congo. De Hutu-rebellen in het Congolese regenwoud vormen het ideale alibi, maar wellicht zijn de enorme bodemrijkdommen in Oost-Congo de echte reden van de Rwandese betrokkenheid aldaar.
Volgens rapporten van de VN en Human Rights Watch steunt Kigali rebellenbewegingen in Oost-Congo. In ruil haalt het wellicht financieel voordeel uit de verkoop van goud, coltan of andere mineralen. De Rwandese autoriteiten ontkennen in alle toonaarden, maar de aanwijzingen zijn toch sterk.
Hoe dan ook: op 4 juli viert Kigali "Liberation Day".
Rik Arnoudt


