Voorlopig bestaan er twee systemen om de tijd te meten, twee tijdschalen. Een ervan is gebaseerd op de rotatie van de aarde om haar as, de andere werkt met atoomklokken en is gebaseerd op de perioden van de straling van een cesium-133-atoom.
Die laatste tijdschaal, de internationale atomaire tijd (of TAI, naar de afkorting van de Franse benaming) is exact en continue. Elke dag, gemeten met een atoomklok, telt precies 86.400 seconden of exact 24 uur. Zo precies draait de aarde echter niet en een aardse, echte dag, is ongeveer twee milliseconden langer dan een atomaire dag. Ongeveer, want de snelheid van de rotatie van de aarde varieert ook nog.
Toch wordt de aardrotatie nog altijd gebruikt als de basis voor een eigen tijdsberekening, de universele tijd (UT1). Om die twee systemen gelijk te doen lopen, wordt er af een toe een schrikkelseconde toegevoegd.
Het resultaat is een nieuwe tijdschaal, de gecoördineerde wereldtijd UTC, de wereldwijde standaard. De verschillende tijdzones zijn gebaseerd op UTC en toepassingen die over verschillende tijdzones lopen, zoals weersvoorspellingen of de luchtvaart, werken met UTC. Ook de klok van het internet, het Internet Time Protocol, werkt met UTC.
Systeem afschaffen ?
Het systeem van de schrikkelseconden staat al een decennium ter discussie in de International Telecommunication Union (ITU -R), de organisatie van de Verenigde Naties die beslist over het systeem. Begin dit jaar stond het afschaffen van de schrikkelseconde opnieuw op de agenda van de ITU-R. Maar omdat men er niet uitraakte, kreeg de schrikkelseconde respijt en werd een eventuele beslissing opnieuw uitgesteld tot 2015.
De Verenigde Staten willen de schrikkelseconde zien verdwijnen, Groot-Brittannië, Canada en China houden vast aan het huidige systeem. Andere landen vragen meer onderzoek over de voor- en nadelen van het huidige systeem. De schrikkelseconde heeft immers technische nadelen. De extra seconden kosten tijd en geld en verhogen het risico op fouten en veel toepassingen zouden gebaat zijn bij een continue tijdsschaal.
Niet iedereen vindt het echter een goed idee om de tijdsberekening los te koppelen van de astronomie. Al zeker de astronomen zelf, want hun observaties en apparatuur steunen op de astronomische tijd. Daarnaast is er ook het meer filosofisch argument dat tijdsberekening altijd gesteund heeft op astronomische waarnemingen.
Zonder schrikkelseconden loopt het verschil tussen de tijd op de klok en de loop van de dag onvermijdelijk op. UIteraard wordt dat verschil pas merkbaar op erg lange termijn: na honderd jaar gaat het om ongeveer anderhalve minuut, na duizend jaar gaat het dan om een kwartier.