Van Medan naar Banda Atjeh, de tocht langs de oostkust van Sumatra. Vijf jaar geleden begonnen we eraan met knikkende knieën. Het Indonesische leger "coördineerde" - vooral: "controleerde" - de hulpverlening na de tsunami die in de provincie Atjeh alleen al zeker 220.000 doden had gemaakt. De provincie was tot dan toe alleen in het nieuws gekomen, en dan nog, door de verbeten strijd tussen de rebellenbeweging die autonomie eiste en de genadeloze soldaten die Jakarta stuurde om elk onafhankelijkheidsstreven hardhandig de kop in te drukken.
We maakten reportages tussen het puin met angstige mensen. Angstig na tientallen jaren van menselijk geweld, angstig na enkele tientallen minuten van natuurgeweld. In Meunasah Blang stapten we met de overlevenden terug naar hun verdwenen vissershuisjes op het kale strand. Zij wezen ons de plek waar ze geleefd, gewoond, gewerkt, geslapen, gevreeën hadden, verworden tot wat omgewoeld zand met enkele brokstukken ingegraven.
In Cot Seurani vonden we Ngongo, een meisje van 21, halsoverkop vanuit de universiteit in de stad Banda Atjeh naar huis gekomen om de familie te helpen bij het puin ruimen en vader, moeder en broer te troosten: de welvarende familie leek nu wel alles kwijt, de rijke visvijvers onbruikbaar geworden door het verwoestende zeewater.
In Banda Atjeh sloeg de ellende ons bijna lam: weggemaaide wijken, modderlandschappen als massagraven, de stilte van de dood en het verdriet, ongrijpbare geesten.
Dit is een ander land geworden
Gewapend met een dvd-speler én de reportages van vijf jaar geleden trekken we naar de plekken van toen, op zoek naar de getuigen van toen. We hadden ons goed voorbereid op blijvende verhalen van onverteerd verdriet.
In Cot Seurani vinden we de ouders van Ngongo. Het talentvolle jonge meisje is intussen een vrouw geworden en met haar echtgenoot naar een verre stad getrokken, een dagreis weg. Maar vader en moeder, toen even maar in beeld gekomen, vertellen graag over het leven nà, het nieuwe bestaan in het dorp. Nieuwe wegen, nieuwe huizen, verse visvijvers… de rust vandaag is de rust van de - weliswaar relatieve - welstand. De doden zijn begraven, de levenden leven beter dan ooit tevoren. Ja, het einde van de burgeroorlog heeft er veel mee te maken, heeft de investeerders gelokt, de economie een duw gegeven. En het hulpgeld, uit de hele wereld, ook uit Europa, ook uit België. Maar eerst en vooral hebben ze het toch zelf gedaan, hun huis heropgebouwd, de visvijvers weer rendabel gemaakt.
In Meunasah Blang herkent een oude vrouw op onze beelden van toen haar zoon, die intussen overleden is, te snel door een onbekende ziekte. Hier lijkt er nauwelijks iets veranderd, al hebben de vissersfamilies wel nieuwe huisjes gekregen, dieper het binnenland in. Velen durven de zee niet meer op en gaan alleen omdat er geen keuze is. Het is een van de weinige plekken die we nog vinden waar er geleefd wordt met tegenzin, ietwat wrok ook, want vergeten door de hoge heren in de grote stad.
In die grote stad, in Banda Atjeh …
Alleen een geoefend oog vindt er nog de laatste getuigen van de tragedie van 2004 tussen de nieuwe wijken, volledig herstelde moskeeën, heraangelegde havens, netjes afgewerkte asfaltwegen…
De tsunami-monumenten staan verscholen tussen al dat moois. Alleen de reusachtige generatorboot torent hoog uit boven de huisjes, meer dan drie kilometer landinwaarts, door de tsunami op 26 december 2004 opgejaagd en weer neergeploft.
Net zoals de kleinere vissersboot vlak bij de haven, bovenop een huis, is het een toeristische attractie geworden, goed voor honderden bezoekers per dag, gewapend met digitale fototoestellen. In de standjes er omheen gaan de T-shirts-met-boot vlot van de hand.
“Wij hebben nu een beter leven dan voor de tsunami.”
Die kreet lijkt eerst onwaarschijnlijk, maar wordt ons alsmaar duidelijker naarmate de ‘tsunami revisited’-trip vordert. Deskundigen ter plaatse en de internationale rapporten bevestigen: het hulpgeld in combinatie met een stevige inbreng van de Indonesische overheid, mogelijk geworden omdat de conflictsituatie snel opgelost raakte, heeft een klein wonder verricht. Er mag dan al té veel uitgegeven zijn op te korte tijd, er mogen dan al verspillingen gebeurd zijn door ondeskundige hulporganisaties, zeker de kleinste met weinig ervaring… er was voldoende om de ergste noden te lenigen en de basis te leggen voor een nieuwe samenleving. Althans in logistiek en bouwwerken.
Zijn daarmee de samenlevingsproblemen van de provincie Atjeh opgelost? Uiteraard niet. Want stenen, hoe mooi opgemetst ook, garanderen nog geen welvaart op langere termijn.
Op vele plaatsen, zeker verder weg van de stad, zoeken boeren en vissers nog naar een eigen inkomen, een stukje welvaart dat blijft, een gezonde productie met respect voor de grondstoffen en de natuur. "Zelfontwikkeling" heet dat in het jargon, een stuk minder spectaculair dan de stenen heropbouw na de verwoesting door de tsunami.
Want dit is het werk van lange adem. Vijf jaar is in het échte ontwikkelingswerk maar een fase, op weg naar hopelijk een beter leven voor iedereen, op eigen kracht, zonder hulp van buitenaf.
Maar of daar nog ooit internationale camera’s zullen komen naar kijken?
Peter Verlinden
Banda Atjeh



