Overvloed aan kunst en schoonheid in Koksijde

Yves Jansen

zo 26/07/2009 - 16:11 Voor de eerste keer tijdens onze Beaufort03 tocht halen we regenjas en pet uit de koffer. We zullen het nodig hebben. En we hebben maar één dag om Koksijde te bezoeken. Dat wordt rennen want kunst, schoonheid en cultuur zijn er in overvloed in Koksijde met de twee kustdeelgemeenten Oostduinkerke en Sint-Idesbald.

In Oostduinkerke achtervolgen logge waterwolken ons. We twijfelen: te voet of met de auto. Het wordt de auto. En wat eerst: een historische site of recent werk in het kader van Beaufort03?

Yves Jansen

Ampel overleg met onszelf was niet nodig want onze neus stond al helemaal in de richting van Valérie Mannaerts (1974) nadat wij als voorbereiding voor deze serie haar dossier hadden bekeken. In 1999 verklaarde ze al: “het meest vrouwelijke deel van de man is misschien wel zijn penis“ en “een penis die bij het lopen zo hulpeloos heen en weer zwiept (…) Ik vind dat zo fantastisch, het is zo onverbergbaar”.

Valérie haar vader was dierenarts, moeder laborante. Thuis werden er dieren geopereerd, een activiteit die de tiener Valérie mateloos boeide. Op zolder bouwde ze imaginaire taferelen met haar barbiepoppen en die fotografeerde ze. Ze ging vier jaar naar de academie en in 1996 pakte ze in Gent uit met Opus Operandi: tekeningen van roerloze lichamen.

Zeven jaar later vertegenwoordigde zij België op de Biënnale in Venetië met haar "R One Way"-serie waarop bewerkte figuren te zien zijn. En Jan Hoet sabelde haar bijdrage neer hoewel – zo gaat het verhaal – hij geen voet in het Belgische Paviljoen had gezet.

In de catalogus van de Biënnale lezen we over Mannaerts werk: “Niets is verborgen maar alles blijft ondoordringbaar”.

Wat een dame! We stallen ons karretje in de parkeerstraat aan het strand en gaan onmiddellijk op zoek. Geen foto’s, tekeningen, video of wat dan ook, wat wij zien zijn negen betonnen totems gebaseerd op vijf vaste vormen en daarmee gaat ze aan de slag.

Sommige delen krijgen een kleurtje soms met volle vegen en andere met spikkels, anderen niets, een enkele totem staat verborgen tussen een bestaande afsluiting. De beelden lijken aangespoelde objecten, maar dat zijn ze niet.

In de bijzondere uitgave van A Prior staat er een brief van kunstenares Anouk De Clercq aan Valérie: “Kunst is zo kwetsbaar buiten een museum maar tegelijkertijd is de verantwoording die je moet afleggen groter, de dialoog met de omgeving intenser. Jouw vormen zijn sterk en robuust, maar vooral uitnodigend. Een mens kan alleen maar kinderlijk verwonderd zijn jouw vormen te zien, net als wanneer je munten ziet blinken tussen de straatstenen. Laat ze maar aanmeren die mensenzee.”

En dan krijgt de weerman gelijk: schuilen kan niet meer! In een donkere striemende regen staren we naar de totems, we blijven gecharmeerd en besluiten: dit werk blijft overeind.

Met de wagen tuffen we door de duinen. We zien een restant van Beaufort01 "Acqua Scivolo", van Anne en Patrick Poirier. Het is een gigantische stalen constructie en stelt de plattegrond voor van de kerk van de Abdij Ten Duinen. Wij kijken liever naar de talrijke bescheiden villaatjes: soms in de stijl van het beginnend modernisme of gewoon traditionele cottagestijl.

Waar de meeuw duikt, daar zit vis

We rijden naar het centrum van Oostduinkerke. Daar ligt het gloednieuwe Nationaal Visserijmuseum. Hier wordt de geschiedenis van de zee en de visser vertelt op een interactieve manier.

Een IJslander vertrok voor zes maanden. De bemanning kreeg een voorschot zodat vrouw en (talrijke) kroost kon overleven. Als de vangst tegenviel dan moest de visser terug voor dezelfde reder varen, maar dan zonder of met kleiner voorschot omdat hij het vorige nog niet had afbetaald. Bittere armoede aan de wal. Een systeem dat bleef bestaan tot in 1930. In Amerika was de slavernij vroeger afgeschaft.

De evolutie van de vistechnieken: geen sonar die peilt naar een school vis; wel het blote oog, kennis en intuïtie, en de meeuwen waren dikwijls hun gidsen. Waar die de zee indoken, daar zat er vis.

We lopen door, maar kunnen het niet laten even te spelen: met morse een bericht "hameren" en dan per e-mail versturen.

En dan zien we een veertigtal replica’s van vissersschepen, allemaal gemaakt op dezelfde schaal. Oostduinkerke heeft de grootste modelbouwclub van het land: 135 landelijke leden waarvan 65 actief. Het moet een huzarenstuk geweest zijn om al deze schaalmodellen zelf te ontwerpen en technisch uit te voeren. Het resultaat is ronduit kunstig en verbluffend geslaagd.

Yves Jansen

Eigenlijk zakken we naar dit museum af voor de schilderkunst: het zijn geen echte marines in de letterlijke zin van het woord, eerder voorstellingen van het leven van de visser en zijn familie. Geen idyllische garnaalvisser te paard bij ondergaande zon, wel garnaalvissers die met hun paarden vechten tegen de ruwe zee.

En ook de vissersvrouw met kind die stormwinden trotseert om op de kyckhill (Kyck= kijk, het Engelse hill=heuvel), de kijkheuvel dus, naar de zee te turen op zoek naar binnenvarende boten. Een bemanningslid ging bij het naderen van het haventje op de voorplecht staan met in zijn hand de fakkelbus; een prop werd gesopt in petroleum en ontstoken en dan hield de visser de vlam hoog. Het enige sein dat een vaartuig naderde.

Louis Artan doorleefde de zee

Louis Artan (1837-1890) kunstschilder uit Den Haag heeft voornamelijk gewerkt in België en Frankrijk. Zo kwam hij in contact met de school van Barbizon en de school van Tervuren. Beide stromingen gingen ervan uit dat het schilderij ter plaatse en met strak kleurenpallet moest worden geborsteld.

Die kenmerken komen terug in het werk van Louis Artan. Hij is de schilder van de Noordzee, heeft het schuim, de golven, de boten, de wolken, de lucht bestudeerd en geschilderd in letterlijk alle weer- en lichtomstandigheden. Als geen ander gaf hij kleur aan de zee, hij gaf de zee een vibrerend licht waardoor zij tot leven kwam. Voor zijn compositie werkte hij traditioneel, zijn onderwerp was steeds de zee en het leven van de visser.

Yves Jansen

Naar het einde van zijn leven trok hij zich terug in een oude douaneloods in De Panne. Hij wilde zoals William Turner de natuur doorleven om haar vorm te kunnen geven. Hij was drieënvijftig jaar oud toen een zware griep hem velde. Hij werd begraven in Oostduinkerke. Tweeëntwintig jaar later kreeg hij gezelschap van Henri Permeke, vader van Constant. Het was de wil van Henri om naast Louis te mogen rusten.

Het is jammer dat we nog steeds moeten wachten op de eerste grote biografische studie over leven en werk van Louis Artan.

Koksijde

In Koksijde zetten we meteen koers naar het Abdijmuseum Ten Duinen. Aan het gebouw staan drie monumentale monnikenbeelden gemaakt door William Sweetlove (1949). Het vierde staat in het atrium van het nieuwe gemeentehuis van Koksijde.

We hebben drie goede redenen om hier halt te houden: de schitterende verzameling kerkelijk zilver, de fototentoonstelling van Marc Lagrange en tot slot Krijn De Koning voor Beaufort03.

Op de tweede verdieping sperren we onze ogen wijd open: hier fonkelt een schat aan religieuze kunst. En plots beseffen we hoe onterecht er voor deze kunsttak zo goed als geen interesse meer bestaat. Als we thuis enkele namen van ontwerpers of meesters googelen, krijgen we steeds nul op rekest. Dood en vergeten.

Op deze verdieping krijgen we een heel mooi ensemble te zien. De eerste stukken dateren van net na de middeleeuwen en eindigen bij in de tweede helft van de vorige eeuw, het moment dat de ontkerstening en desinteresse in de traditionele religies werd ingezet.

De gemeente kocht op lijfrente deze rijke verzameling van een Brusselse collectioneur. De zevenhonderd objecten kregen een optimale presentatie in het museum Ten Duinen.

Van de religie naar de lust. We zakken af naar de kelder. Een koude aircolucht vergezelt ons. Hier zien we de tentoonstelling "EELiZEE * LUST * ICONEN (foto’s en video)" van de Antwerpse modefotograaf Marc Lagrange (1957). Hij werkte met Elise Crombez uit Sint-Idesbald. Het resultaat is wat wij van Lagrange mogen verwachten: subliem.

Op onze blocnote schreven wij: wellustig, bizar, kinky, hijgerig, geil, verleidelijk, onweerstaanbaar, moordend. Nu behoeven we koffie. Even later stappen we naar de oude site van de abdij uit 1138. In 1949 startte de eerste opgravingen. Die waren niet van wetenschappelijke aard, neen, het bisdom had dringend bakstenen nodig om de gevel van het seminarie in Brugge te restaureren.

Bij het betreden van dit stukje middeleeuws erfgoed krijgen we een uitstekend zicht op de installatie van de Nederlander Krijn de Koning (1963): op de grondvesten van de middeleeuwse abdij construeerde hij een nieuwe site waarvan de vormen en de kleuren (varianten van blauw, groen, rood en een streepje geel) pogen te komen tot een zekere eenheid met de historische grond.

Yves Jansen

Dit is een boeiende illustratie van hoe archeologie en hedendaagse kunst mekaar tegelijkertijd teder en gevaarlijk omhelzen. Het is een mooie constructie. Vele bezoekers grijpen naar het digitaal toestelletje, kinderen vragen om uitleg (“papa, bouwden ze toen zooooo ?”, stem en ogen verraden minachtende verbazing) maar vooral – zeker van op grote afstand – slingert zich een frivole kleuren- en vormenpracht over en door de ruïnes.

Krijn De Koning is ook geen kleine jongen. Hij kreeg twee jaar geleden de Sikkensprijs die ook aan Gerrit Rietveld (1959) en aan Le Corbusier (1963) werd toegekend. Begin dit jaar was De Koning present met een immense, blauwe constructie op de 2e Triënnale van Hedendaagse Kunst in Hasselt.

We slenteren door het centrum van Koksijde. We laten ons verleiden door een paragraaf uit onze gids: “Deze omgeving staat bekend als de Senegalese wijk en behoort tot de geklasseerde dorpsgezichten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleven hier Frans-Afrikaanse troepen in tentenkampen om strijd te leveren in de sector Nieuwpoort”.

Interessant, denken wij, en dus stappen we straat in straat uit, en plots staan we in de Bauwenslaan of de Senegalese wijk. Diep ontgoocheld zijn we. Het is ronduit een zootje van stijlen en gebouwen en slechts twee à drie huizen blijken de moeite.

Dit is te klein (en te onbenullig ) om bezoekers te vragen er een ommetje voor te maken. En helaas is Koksijde niet het enige voorbeeld.

Sint-Idesbald

We rijden naar Sint-Idesbald, thuishaven van schilder Paul Delvaux. We verwijlen graag in zijn museum. Bij vorige bezoeken was het steeds een prima vertrekpunt voor een flinke wandeling door de lange lanen met mooie villa’s en hun tuinen. Wij komen daar tot rust.

Yves Jansen

Vandaag zit zo een lange tocht er niet in. Geprononceerd zoet ruiken we de natuur; de regen heeft ook zijn voordelen troosten we ons, elke boom, plant of bloem waaiert ons veelgeurig tegemoet.

We trekken naar de Keunekapel met zijn beeldentuin. Eén bronzen meisjesfiguur willen we zeker zien: "The Young Girl" van Francine Van Mieghem (1930). Het is een strak, uitgerekt puberlichaam van een meisje. Borstjes, heupen, handen verwijzen naar wat komen zal: de volwassenheid die aan de blik van het model te oordelen met frisse tegenzin wordt aanvaard.

In 1952 – bij haar eindjury beeldhouwen in Ter Kameren in Brussel – verdedigde George haar werk. Enkele jaren later woonden ze samen in Sint-Idesbald. Van Mieghem stond in de jaren vijftig al model voor George Grard (1901-1984). Ze zou spoedig zijn vrouw worden. Zij was toen negenentwintig jaar jonger dan George.

Grard heeft een eigen museum in Alveringem en heeft in ons land tientallen monumentale beeldhouwwerken neergepoot. Heel bekend is natuurlijk "De zee" in Oostende. Het is een naakte wulpse vrouw met een kont als een os dat ligt te pronken in een fontein, en daarom wordt zij in de Oostendse volksmond "Dikke Mathilde" genoemd.

Yves Jansen

Zes jaar na de dood van George in 1984 krijgt Francine terug zin in haar werk. Ze gaat aan de slag met het jonge model Aurélie die haar aanport sobere beelden met lange ledematen te creëren.

We stappen naar de dijk, naar het onlangs aangelegde Grardplein. In 1995 maakte Francine een buste van haar man met onderaan een liggende Mathilde. Vanaf hier zakken we af naar het strand. Van op een hoge duin zien we een immens ijzeren vlechtwerk wapperen.

Drie woorden kunnen we lezen. De strakke zeewind blaast de letters half weg: "Never good enough" (Nooit goed genoeg) van de Amerikaan Evan Holloway (1967). De kunstenaar hoopt dat door het ruige klimaat aan de Noordzee het staal zal oxideren zodat de installatie transformeert en een volledig andere uitstraling krijgt tijdens de opstelling op Beaufort03.

Door het kader van "Never good enough" kijken we naar de zee. We begrijpen de bedoeling van de kunstenaar: een kopie verbleekt bij het originele. Tegen de echtheid van de krachtige zee kan niemand op. Daarover willen we even peinzen maar we worden afgeleid door een jongen in een bermuda met op zijn geinig hoofd een grappig petje. Hij klieft met zijn voet letters aan de vloedlijn. Hij draagt zijn gympies in de linkerhand. Druk gesticulerend en lachend toont hij het meisje in jeans en rode hoge trui zijn kunstwerk.

Ze draagt haar gympies in de rechterhand. Ze geeft hem stootjes, hij geeft de aanzet voor nog een letter, zij lacht, weet al wat hij schrijven wil en pakt hem beet en kust hem uitbundig. De jongen kirt en loopt weg. Ze spelen tikkertje. En kussen elkaar. Even rust in het verlangen. Straks, ja straks, is het leven van hen. Ze laten mekaar niet meer los. Ze huppelen weg. De golven likken de vloedlijn schoon.

Tegen melancholie aan zee is er maar één remedie: een hoorntje met twee bollen ijs.

Yves Jansen

Beaufort, triënnale voor hedendaagse kunst

Mu.ZEE, Romestraat, Oostende

www.kunstmuseumaanzee.be
www.beaufort03.be



  • E-mail
  • Afdrukken
  • Permalink
  • Share/Save/Bookmark